Op 1 juni gaan de middelbare scholen weer open: waar zetten we in het onderwijs op in?

Dinsdagavond 21 april zat ik met mijn gezin voor de televisie. Mijn pubers, 14 en 16 jaar, lieten het nieuws tijdens de persconferentie van premier Rutte gelaten over zich heen komen.

Online onderwijs

De afgelopen zes weken hebben ze met vallen en opstaan hun weg gevonden in het online onderwijs. En dat was aanvankelijk een behoorlijke klus. Via allerlei kanalen kwam de stof hier binnen, waardoor het overzicht ver te zoeken was. Vragen konden niet direct gesteld worden, maar later in een chat. Wat doe je dan als je zo vastloopt dat je niet meer verder kan werken? Dat vak opzij leggen en aan een ander vak beginnen? Die keuze maken op het moment dat je in de stress schiet is een lastige. En dan al die ‘projecten’. Leuk bedacht, tuinkers zaaien onder drie verschillende condities en kijken wat het verschil is. Maar hoe regel je dat als je ouders gescheiden zijn en je na twee dagen richting je vader vertrekt? En dan die opdrachten waarbij je samen iets moet maken. Even een moment zoeken om online te sparren is toch een stuk lastiger dan al kletsend op de fiets van school naar huis.

Zoeken naar een vorm

Ik ben verbaasd. Verbaasd over de manier waarop vanuit het onderwijs de nadruk de afgelopen weken heeft gelegen op de cognitieve input. Begrijp me niet verkeerd. Ik heb bewondering voor de wijze waarop docenten overgeschakeld zijn naar online onderwijs. En op hoe zij alles wat in hun vermogen ligt inzetten om het onderwijs aan en de betrokkenheid bij de kinderen zo goed mogelijk vorm te geven. Maar daarin wordt, in mijn ogen, de plank ook nog wel eens volledig mis geslagen. Pubers van 15 jaar die een gymopdracht moeten doen, zichzelf moeten filmen in sporttenue en dat filmpje, ter controle, moeten opsturen aan de gymdocent. Hoe ongemakkelijk. Een gezamenlijke online start van de dag met de gehele klas waarin de docent elk kind vraagt hoe het gaat. Goed bedoeld, maar ga jij in je online klas zeggen dat je zorgen maakt omdat het bedrijf van je vader door Corona misschien wel failliet gaat. Of dat je nergens in huis een plek hebt waar je rustig kunt werken en je ouders voortdurend ruzie maken met elkaar? Of dat je stress hebt van al dat schoolwerk en die vier online toetsen die voor de week na Pasen zijn ingepland?

Hoe gaat het echt met de pubers?

Ik maak me ook zorgen. Zorgen over het feit dat er binnen het onderwijs en de politiek de afgelopen weken niet tot nauwelijks aandacht wordt besteed aan de vaardigheden die je kunnen helpen met deze bizarre omstandigheden om te gaan. Hoe zorg je goed voor jezelf? Wat merk je als je stressthermometer oploopt en niet meer omlaag wil? Wat kun jij doen om jezelf lekkerder in je vel te voelen? Wanneer vraag je om hulp en hoe doe je dat dan? Wie zijn jouw supporters als je het even niet meer ziet zitten? Vragen die wij de afgelopen weken niet alleen thuis, maar ook tijdens onze videobelafspraken meer dan eens voorbij hoorden komen.

Waar zetten we op in?

Vanaf 1 juni gaan de middelbare scholen weer open. De voorbereidingen zijn in volle gang. Vanuit de politiek wordt vooral benadrukt dat de anderhalve meter samenleving ‘het nieuwe normaal wordt’. Dat ik een samenleving zonder lichamelijk contact met elkaar niet normaal vind, leg ik voor nu even terzijde. En dat ik me afvraag of we dat van pubers mogen vragen, aangezien juist dat fysieke contact met hun peers, van essentieel belang is om zich verbonden, gelukkig en minder gestresst te voelen, ook. Wat mij bezig houdt is de vraag of met het openen van de scholen in de weken die nog resten tot de zomervakantie de insteek weer een grotendeels cognitieve zal zijn. Ik vrees dat ik het antwoord al weet.

Ik zou het onderwijs en de politiek willen uitdagen om met de hulp van deskundigen in de weken voor de zomervakantie vol in te zetten op een ander, in mijn ogen belangrijker, vlak.

Hoe mooi zou het zijn als we onze pubers juist nu de kennis, het inzicht en tools kunnen meegeven waarmee ze veerkracht en weerbaarheid ontwikkelen en daardoor bij welke tegenslag dan ook die vaardigheden kunnen inzetten die ze nodig hebben om zich gezond en gelukkig te voelen.

Dat zou een mooie investering zijn, in hun toekomst en in die van onze samenleving.